17 maart is Nederland weer naar de stembus gegaan, hoog tijd om het democratische stelsel onder de loep te nemen. Ons stelsel functioneert namelijk anders dan bijvoorbeeld dat van onze buren. Maar in hoeverre staan we stil bij die verschillen? En welke gevolgen hebben ze voor hoe ons land bestuurd wordt?

Hoewel vrijwel alle landen in Europa tegenwoordig democratisch zijn, ziet democratie er in het ene land heel anders uit dan het andere. Duitsland en België zijn bijvoorbeeld federale staten en hebben een kiesdrempel. Het Verenigd Koninkrijk heeft een meerderheidsstelsel, een kiesstelsel waarin een partij in een gebied (district) een (relatieve) meerderheid moet behalen om zetels te veroveren. En hoewel het politiek systeem in Denemarken veel op dat van ons lijkt, kennen ze hier een volledige wisseling van de macht na verkiezingen.

Iemand die hier alles van afweet is politicoloog Rick van Well, promovendus aan het Instituut Politieke Wetenschap van Universiteit Leiden. Zijn promotieonderzoek richt zich op verklaringen voor parlementaire samenwerking tussen regering en oppositiepartijen, waarbij hij verschillende landen met elkaar vergelijkt.

Van Well legt hieronder uit hoe dat precies zit met een kiesdrempel en een meerderheidsstelsel.

Het meerderheidsstelsel

"Kenmerkend aan Nederland is dat wij een evenredige vertegenwoordiging hebben. Hierbij krijgt een partij een aantal zetels naar verhouding van het aantal stemmen over het hele gebied. In ons geval het hele land, want wij kennen maar één kiesdistrict. In het Verenigd Koninkrijk is dat bijvoorbeeld anders. Daar heb je een meerderheidsstelsel", vertelt Van Well. "Groot voordeel van dit systeem is dat de relatie tussen de verkiezingsuitslag en de samenstelling van de regering heel helder is: de winnaar van de verkiezingen vormt de regering. Maar het heeft ook zo z'n nadelen."

Het Verenigd Koninkrijk heeft een districtenstelsel en 650 kiesdistricten. In elk kiesdistrict wordt één lid gekozen voor het Lagerhuis, de belangrijkste kamer van het Britse parlement. De kandidaat met de meeste stemmen krijgt de zetel, ongeacht of dit een meerderheid van alle stemmen is. Stel, kandidaat A krijgt 15 procent van de stemmen, kandidaat B 33 procent, kandidaat C 45 procent en kandidaat D 7 procent. Zij hebben geen van allen een absolute meerderheid (50 + 1 procent), maar kandidaat C heeft de meeste stemmen en krijgt de zetel.

Momenteel heeft De Conservatieve Partij hierdoor 56 procent van de zetels in het Lagerhuis, maar kreeg ‘slechts’ 44 procent van het totaal aantal stemmen. Omdat het gaat om wie er in een kiesdistrict wint, kan een partij dus de meerderheid van het aantal zetels hebben in het Lagerhuis, maar niet een meerderheid hebben gehad in het percentage totaal aantal stemmen.

Voor aanhangers van vooral kleinere partijen heeft het daarom soms weinig zin om op hun voorkeurspartij te stemmen. Als gevolg daarvan stemmen zij tactisch op een grotere partij of ze stemmen niet. Bovenal kunnen ontevreden kiezers sneller hun binding met het parlement verliezen als hun zorgen niet geuit kunnen worden door kleinere partijen (die moeilijk een relatieve meerderheid halen in districten).

"Onderzoek wijst uit dat de evenredige vertegenwoordiging, zoals wij die in Nederland kennen, een positief effect heeft op het vertrouwen en de opkomst bij de verkiezingen. Kiezers die ontevreden zijn kunnen dankzij ons kiesstelsel makkelijker hun onvrede laten zien. Maar in Nederland komen de meest populaire partijen niet automatisch in de regering die gevormd gaat worden. De ondoorzichtelijke relatie tussen verkiezingsuitslag en regeringsvorming maakt het Nederlandse kiezers dus moeilijk om een regering weg te sturen in vergelijking met het Verenigd Koninkrijk."

Een kiesdrempel

In discussies wordt in Nederland vaak aangevoerd dat het lastig is een regering te vormen vanwege de versplintering. Dat is waarom ze in Duitsland bijvoorbeeld een kiesdrempel hebben van 5 procent van de stemmen. Partijen die deze 5 procent niet halen, komen niet in de Bondsdag. Mede door die kiesdrempel heeft Duitsland slechts 6 fracties (of 7 als je CDU en CSU afzonderlijk telt) in het parlement.

"Wij hebben ook een kiesdrempel, maar een hele kleine; een partij komt in de Tweede Kamer als die partij 0,67 procent van de stemmen heeft gekregen. Dat is alleen een probleem voor echt kleine partijen."

Van Well is sceptisch over een kiesdrempel om regeringsvorming makkelijker te maken. Volgens de politicoloog wordt regeringsvorming juist moeilijker omdat we steeds minder echt grote partijen hebben. "In de jaren 80 had het CDA bijvoorbeeld 50 zetels. Met 35 zetels in de voorlopige verkiezingsuitslag is de VVD momenteel de enige grote partij. Dat maakt coalitievorming moeilijker, omdat je steeds meer partijen nodig hebt om een coalitie te vormen. Dat lost een kiesdrempel niet op, tenzij je die op 15 zetels gaat zetten. Maar dat kan de politieke afspiegeling wel beschadigen, waardoor het politiek vertrouwen minder wordt."

Politiek vertrouwen gestegen

Sinds het uitbreken van de pandemie is het vertrouwen in de regering juist spectaculair gestegen. "Dat wordt ook wel het rally around the flag-effect genoemd, wanneer mensen zich in een crisis verzamelen achter een politiek leider. Onderzoek naar politiek vertrouwen, bijvoorbeeld van het Sociaal Cultureel Planbureau, laat dat heel duidelijk zien."

De Nationale Wetenschapsagenda zoekt antwoorden

De Nationale Wetenschapsagenda gaat op zoek naar antwoorden op vragen die voor iedereen relevant zijn. Meer weten over het politieke stelsel? Of zelf een vraag stellen aan onderzoekers? Kijk voor meer informatie op de pagina van NWA op Facebook of Instagram.