Blaudzun groeide op in een pinkstergemeente en is lang boos geweest. De zanger zegt in gesprek met Trouw dat hij inmiddels milder terugkijkt op zijn omgeving destijds, maar ook dat hij blij is dat hij nu niet meer gelooft.

Johannes Sigmond, zoals de 46-jarige zanger eigenlijk heet, heeft naar eigen zeggen een warme, fijne jeugd gehad. "In de kerk leerde ik wat een goed verhaal is. De diensten waren feestelijk, met een band en elektrische gitaren", zegt de artiest, die 12 oktober tijdens een Vrijheidscollege vertelt over de rol die godsdienst in zijn leven speelde.

"Ik leerde er muziek maken, dat je vanuit blijdschap en verdriet kan zingen, vanuit je tenen. Mijn liefde voor optreden is daar begonnen. Dat ik artiest ben geworden is de schuld van God."

Toch beschrijft Blaudzun de sfeer er als beklemmend. "Overal stonden hekken: geen popmuziek, mijn cassettes gingen de prullenbak in, geen biertje op de Korenmarkt (Arnhems uitgaanscentrum, red.), de bioscoop was van de duivel, boeken waarin genot, schoonheid en seks voorkwamen, daar werd met afschuw over gesproken."

De situatie was "licht traumatisch" voor de muzikant. Zijn gezin was weliswaar niet de strengste, maar de gemeenschap bepaalde toch mee over wat wel en niet mocht. "Om gevoelens en gedachten stond een hek, ik heb me er een krijgsgevangene gevoeld. Dus wil ik me nooit meer laten vertellen wat ik moet doen. Ik geloof ook niet meer."

Nog altijd gaat Blaudzun niet graag een kerk binnen. "Zelfs op vakantie in Spanje of Italië mijd ik ze, hoe mooi ze ook zijn. De wond is wel aardig genezen, maar het velletje erover is erg dun."