DEN HAAG - Joseph Luns, destijds minister van Buitenlandse Zaken, vond de verkering van prinses Margriet met Pieter van Vollenhoven in 1964 een ''volstrekt ongewenste idylle''.

Hij drong er bij premier Victor Marijnen op aan ''de jongeman in kwestie'' ervan te overtuigen dat die zich moest terugtrekken ''in het belang van het vorstenhuis''.

Dat staat in Luns, een politieke biografie. Het boek van Albert Kersten, die gebruik maakte van Luns' archieven, verschijnt donderdag.

Ook Marijnen, premier van 1963 tot 1965, vond een huwelijk met een man uit de vaderlandse burgerij maar hachelijk.

Troonopvolgers

Net als Luns en sommige anderen vreesde hij dat de bevolking kinderen uit een huwelijk met een burger niet zou accepteren als troonopvolgers, iets wat een probleem zou kunnen worden, als de toenmalige troonopvolgster Beatrix kinderloos zou blijven.

Beatrix was op dat moment ''gedeprimeerd'' omdat ze nog geen geschikte huwelijkskandidaat had getroffen, zo had prins Bernhard Luns volgens het boek verteld.

De bewindsman zei de prins dat de koningin en hij niet professioneel optraden bij het zoeken naar een man voor Beatrix.

Negatieve instelling

Luns dacht dat dat het parlement akkoord kon gaan met een huwelijk van Margriet met Pieter ''op grond van een geheel verkeerd begrepen egaliteitsprincipe'', maar dat zou volgens hem niet de ''latere negatieve instelling van het Nederlandse volk verhinderen''.

Een 'dynastie Van Vollenhoven' zou niet levensvatbaar blijken, vreesde de minister. Op 10 maart 1965 werd niettemin de verloving bekendgemaakt en op 10 januari 1967 trouwden Margriet en Pieter in Den Haag.

Minister

De humorvolle, kleurrijke en oerconservatieve Luns was 33 jaar lang, eerst bijna twintig jaar als minister van Buitenlandse Zaken en vervolgens als secretaris-generaal van de NAVO, het gezicht van Nederland in het buitenland: ten tijde van de de spanningen met Indonesië over de toekomst van Nieuw-Guinea, in de Koude Oorlog en tijdens de moeizame eerste stappen naar een deels verenigd Europa.

Hij had volgens Kersten geen enkel gevoel voor de veranderingen eind jaren zestig en zeventig, die hij zag als ondermijning van het gezag. Overheid, kerk en monarchie waren in zijn ogen pijlers van de maatschappelijke stabiliteit en moesten dat vooral blijven.

Partnerkeuze

Luns had in 1964 ook de bange indruk dat koningin Juliana, die begrip had voor Margriet en Pieter, niet goed inzag wat de partnerkeuze van haar dochters kon betekenen voor de positie van de monarchie.

De markante bewindsman had al meer te stellen gehad met de koningin. Die liet hem, toen hij van 1952 tot en met 1956 het ministerschap van Buitenlandse Zaken nog deelde met Willem Beyen, duidelijk merken dat Beyen voor haar de echte bewindsman was.

Bij tafelschikkingen behandelde ze Luns als niet gelijkwaardig aan Beyen, die later zwaar uit haar gunst zou raken door zijn opstelling in de Greet-Hofmansaffaire.