Drukke en gevaarlijke tijden voor hulpverleners door vele conflicten

De vele brandhaarden in de wereld leggen grote druk op hulporganisaties. Tegelijkertijd komen hulpverleners steeds vaker zelf onder vuur te liggen.

''De machine draait op volle toeren", zegt Frank Theunissen van Artsen Zonder Grenzen. ''Er is heel veel tegelijk aan de hand."

Burgeroorlogen in Irak en Syrië, bombardementen op de Gazastrook, voortwoekerende conflicten in de Centraal-Afrikaanse Republiek, Zuid-Sudan en Mali, gevechten in Oost-Oekraïne; de lijst van conflicten is inderdaad lang.

Tel daar de zorg voor ebolapatiënten in West-Afrika bij op en het is duidelijk dat het drukke tijden zijn voor hulpverleners. Zo druk zelfs dat het Rode Kruis afgelopen week waarschuwde dat het honderden miljoenen euro’s extra nodig heeft om aan de hulpvraag te voldoen.

Esther Vriesendorp van het Nederlandse Rode Kruis legt uit hoe die noodkreet moet worden begrepen: ''Het Rode Kruis heeft in bijna alle landen wel een zusterorganisatie. Die organisaties zijn altijd als eerste ter plaatse en maken een soort boodschappenlijstje: wat kunnen we zelf en wat hebben we nog nodig? Als je al die lijstjes bij elkaar optelt, is er een structureel tekort.’’

Maar komen hulporganisaties niet altijd geld tekort? En zijn er niet altijd een paar grote crises tegelijk? Staat de wereld nu echt feller in brand dan een paar jaar geleden, of is dat alleen een gevoel?

Artsen zonder Grenzen staat in elk geval behoorlijk onder druk, zegt Theunissen. Alleen al in Liberia, Sierra Leone en Guinee heeft de organisatie bijna elfhonderd mensen ingezet om de ebola-uitbraak het hoofd te bieden.

Het gaat vooral om artsen en verpleegkundigen uit de getroffen landen zelf. Ze krijgen hulp van zo’n honderd buitenlandse medewerkers. Dat geeft in de hele organisatie drukte. ''Maar we kunnen het aan.’’

Financiële problemen heeft de organisatie momenteel niet. ''Ik ga natuurlijk niet zeggen dat we geld genoeg hebben’’, zegt Theunissen. ''We zijn afhankelijk van donateurs. Maar met de fondsenwerving gaat het goed.’’

Recordhoeveelheid hulpgoederen

Er zijn niet alleen signalen, maar ook harde cijfers die erop duiden dat de hulpsector het momenteel uitzonderlijk druk heeft. Zo heeft Unicef in augustus van dit jaar meer hulpgoederen dan ooit naar de diverse ramp- en crisisgebieden in de wereld gestuurd.

De kinderhulporganisatie van de Verenigde Naties verzond duizend ton aan voedsel, tenten, medische spullen en andere noodzakelijke middelen. Vanuit Kopenhagen, het knooppunt van de bevoorrading, vertrekt bijna dagelijks een vlucht.

Een ander hard cijfer dat iets zegt over de totale omvang van de brandhaarden in de wereld is het aantal vluchtelingen. Ook dat is schrikbarend hoog: volgens wereldvluchtelingenorganisatie Unhcr waren eind vorig jaar 51,2 miljoen mensen op de vlucht.

Ook dat was een triest dieptepunt, want sinds de organisatie in 1951 werd opgericht waren er nooit zoveel mensen op drift. Ongeveer de helft is kind. In een jaar tijd steeg het aantal vluchtelingen met 6 miljoen. Unhcr-chef António Guterres sprak van ''een quantumsprong". De grootste vluchtelingenstroom komt uit Syrië, dat sinds 2011 verscheurd wordt door een bloedige burgeroorlog.

Gevaarlijk werk

Het werk van hulpverleners wordt er niet bepaald veiliger op. Zo heeft de uitbraak van ebola volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) al 240 artsen en verpleegkundigen getroffen. De helft is overleden. Een van de oorzaken van de besmettingen is volgens de WHO onderbezetting: het medisch personeel maakt te lange dagen, waardoor de kans op fouten en daarmee ook de kans op besmetting toeneemt. 

Hulpverleners krijgen ook steeds vaker met geweld te maken. Het jaar 2013 was zelfs extreem gewelddadig, afgaande op twee rapporten. Onderzoeksbureau Humanitarian Outcomes telde 155 hulpverleners die tijdens hun werk werden gedood, twee keer zoveel als een jaar eerder. Het Rode Kruis noemt een nog hoger aantal van 168 doden.

Vooral in Syrië en Zuid-Sudan namen de geweldsuitbarstingen fors toe. Dat heeft alles te maken met de chaos en wetteloosheid in die landen. Afghanistan blijft het land waar medewerkers van hulporganisaties veruit het vaakst slachtoffer worden van geweld.

Vaak gaat het dan om kortstondige ontvoeringen. Daar valt namelijk losgeld mee te verdienen, weten warlords, criminelen en de Taliban. In Syrië vallen veel slachtoffers onder medewerkers van de Rode Halve Maan, die gewonden helpen in de frontlinie.

Lak aan verdragen

De toename van het aantal slachtoffers heeft meerdere oorzaken. Een daarvan is de veranderde aard van conflicten. Toen Henri Dunant in 1863 het Rode Kruis oprichtte, werden oorlogen vooral uitgevochten tussen legers van staten. Zolang beide partijen de neutraliteit van hulpverleners garandeerde, konden zij hun werk relatief veilig doen.

Nu ligt dat anders: ongeveer één op de drie aanvallen op hulpverleners valt volgens het onderzoek van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) toe te schrijven aan 'gewapende niet-statelijke actoren’. Daarmee worden rebellen, milities, bendes en terroristen bedoeld. Die hebben vaak simpelweg lak aan internationale verdragen en ontzien hulpverleners niet.

''Vroeger stond de neutraliteit nooit ter discussie, maar het kalft af’’, ziet ook Frank Theunissen van AzG. ''Nu zie je dat hulpverleners bijna doelwit zijn. Dat geld ook voor journalisten. Voor ons is dat wel zorgwekkend.’’ Misschien is het ook wel een wereldwijd fenomeen dat hulpverleners niet met rust worden gelaten, oppert hij. ''Je hebt het zelfs hier in Amsterdam."

Onpartijdigheid vervaagt

Humanitarian Outcomes noemde in een eerder rapport nog een aspect: de onpartijdigheid van hulporganisaties vervaagt. Dat komt bijvoorbeeld doordat ze gedwongen worden beveiligd door militairen. Overheden in conflictgebieden willen bovendien het humanitaire werk controleren om in een gunstig daglicht te komen.

Maar de hulpverleners lijken daardoor een verlengstuk van de regering. Een soortgelijk probleem doet zich voor in landen als Afghanistan, waar militaire acties en hulp de afgelopen jaren hand in hand gingen. Voor groeperingen als de Taliban zijn hulpverleners niet neutraal, maar horen ze bij de bezettende macht. Dat maakt hen tot doelwit.

Westerse medewerkers van Artsen zonder Grenzen worden overigens niet vaker door geweld getroffen dan een aantal jaren geleden. Dat valt wel te verklaren: de organisatie stuurt geen westerlingen naar te gevaarlijke gebieden.

''Sommige landen helpen we alleen met de afstandsbediening. Zo zijn we in 2013 weggegaan uit Somalië. Ook in Syrië is het voor Europeanen ondoenlijk om te werken", zegt Theunissen. Artsen zonder Grenzen is daarin niet uniek: veruit de meeste hulpverleners die door geweld worden getroffen komen uit de conflictlanden zelf. Zij staan in de frontlinie en vangen de hardste klappen op.

Meer langere verhalen en achtergronden op NUweekend

Lees meer over:

Columns Pieter Derks

Columns Pieter Derks
Cabaretier Pieter Derks duidt en verwerkt maandelijks het nieuws van de voorbije weken. 

Over NUweekend

Over NUweekend
Op NUweekend vindt u iedere week een selectie achtergrondverhalen, analyses of mooie interviews.
Tip de redactie