Vijf vragen over het Europese noodfonds
AMSTERDAM – Het Europese noodfonds (ESM) is opgericht om de financiële crisis in Europa te bezweren. NU.nl legt u in vijf vragen het noodfonds verder uit.
Foto: Inertia Stock
Wat houdt het noodfonds precies in?
Het Europese noodfonds leent geld uit aan eurolanden met financiële problemen, zoals Griekenland, Portugal en Ierland. Maar ook noodlijdende banken kunnen aanspraak maken op het fonds.
De eurolanden richtten in 2010 een tijdelijk noodfonds (EFSF) op, dat in 2013 vervangen moet worden door een permanent fonds. Het Duitse HOf stak daar echter een stokje voor door 2 maanden de tijd te nemen om zich te buigen over klachten dat deelname aan het fonds in strijd zou zijn met de Duitse grondwet.
De eurolanden proberen met het noodfonds het vertrouwen van de financiële markten in de euro terug te winnen.
Het EFSF heeft een maximale leencapaciteit van 440 miljard euro. Inmiddels werd daaruit voor circa 300 miljard euro aan leningen toegezegd aan Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal. De leencapaciteit van het ESM is 500 miljard euro, maar samen staan de EU-lidstaten borg voor een bedrag van 700 miljard euro. Daarvan moet 80 miljard door de lidstaten worden overgemaakt en worden voor 620 miljard euro garanties gegeven.
Wat is de bijdrage van Nederland aan het fonds?
Nederland draagt 40 miljard bij, wat gelijk staat aan een aandeel van 5,7 procent in het fonds. Dat betekent dat ons land tussen 2013 en 2017 4,5 miljard euro moet overmaken en voor de rest van het bedrag garant staat.
Duitsland en Frankrijk zijn met ruim 190 miljard (27 procent) en 142 miljard (20 procent) de grootste bijdragers aan het fonds. Ook Italië en Spanje (bijna 18 en 12 procent) dragen meer bij dan Nederland.
Naast het permanente noodfonds ESM bestaat echter ook nog steeds het tijdelijke noodfonds EFSF. Daarom valt het bedrag dat Nederland in totaal bijdraagt aan beide noodfondsen hoger uit: van juli 2012 tot juli 2013 zullen deze garanties gezamenlijk uitkomen op 134 miljard euro.
Wanneer treed het fonds in werking?
In eerste instantie was het de bedoeling dat het permanente noodfonds medio 2013 in werking zou treden. Maar om de financiële stabiliteit in de eurozone te kunnen garanderen en te laten zien dat de landen er alles aan zullen doen om de euro te redden, spraken de Europese regeringsleiders in het voorjaar af deze datum te vervroegen naar juli deze zomer.
Dat betekent dat het tijdelijke fonds EFSF en ESM een tijdje naast elkaar zullen bestaan.
De Tweede Kamer stemde na twee dagen van debat eind mei in met de oprichting van het fonds. In Duitsland duurde dit echter wat langer, omdat het Constitutionele Hof zich twee maanden lang boog over de zaak. Dit na klachten van duizenden Duitsers die bang zijn dat hun land te veel van zijn soevereiniteit prijsgeeft. Uiteindelijk wees het Hof om 12 september de bezwaren af, waardoor het land als laatste euroland de oprichting van het ESM kan ratificeren.
Welke discussie speelde rondom het fonds?
In Nederland stemde de ChristenUnie, PVV, SP, SGP, PvdD en Hero Brinkman in de Tweede Kamer tegengestemd.
Zo vreest de ChristenUnie dat Nederland door het overmaken van het geld geen grip meer heeft op de wijze waarop het geld wordt uitgegeven.
PVV-leider Geert Wilders wilde de deelname zelfs via een kort geding tot na de verkiezingen van 12 september tegenhouden, omdat hij vond dat de kiezer zich moest kunnen uitspreken over het besluit. Verzoeken van Wilders om het debat uit te stellen werden door de Tweede Kamer telkens verworpen.
Ook de Algemene Rekenkamer heeft zich tegen het fonds uitgesproken. De Rekenkamer vindt dat de publieke externe controle op het noodfonds verbeterd moet worden.
Klopt er iets van de kritiek?
Beslissingen over de bestedingen van het ESM hoeven niet altijd unaniem te worden aangenomen. Voor de meeste besluiten is een meerderheid van 85 procent nodig om te besluiten of een land of bank hulp krijgt van het fonds, zodat het snel kan ingrijpen.
Omdat Nederland voor 5,7 procent bijdraagt aan het noodfonds, heeft ons land 5,7 stemmen van de 100. Dat betekent dat Nederland inderdaad niet volledige zeggenschap heeft over het geld dat we bijdragen aan het fonds.
Als Nederland het niet eens is met het verstrekken van geld uit het fonds aan een land, maar een meerderheid wel, kunnen we de procedure niet tegenhouden. Drie andere landen kunnen dat wel: Duitsland, Frankrijk en Italië. Zij hebben namelijk vetorecht.
Door: NU.nl/Heleen Haverkort
Startpagina