Kabinet vindt dat het bij Turkije-rel handelde volgens internationaal recht

Het kabinet vindt dat het bij het blokkeren van de toegang van een Turkse minister afgelopen maand handelde volgens het internationaal recht.

Dat schrijven minister-president Mark Rutte, vicepremier Lodewijk Asscher en minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders maandag aan de Tweede Kamer.

"Het kabinet is ervan overtuigd dat het heeft gehandeld in overeenstemming met het internationaal recht", aldus het kabinet.

Vlak voor de verkiezingen op 15 maart wilden vertegenwoordigers van de Turkse regering in Nederland campagne voeren voor een referendum in Turkije.

Het Nederlandse kabinet was hier fel op tegen, omdat het niet wil dat Turkse Nederlanders beïnvloed worden. Ook had het kabinet inhoudelijk moeite met het Turkse referendum, omdat het de president meer macht zou geven.

Op zaterdag 11 maart wilde een Turkse minister via Duitsland naar de Turkse ambassade in Rotterdam rijden, maar werd door een politiecordon tegengehouden en teruggestuurd naar Duitsland.

Nazi's

De Turkse president Recep Tayyip Erdogan reageerde furieus en maakte onder andere Nederlanders uit voor nazi's.

Nederland vindt echter dat het het recht had om de Turkse minister de toegang tot de ambassade te ontzeggen.

In de brief erkent het kabinet dat een buitenlandse overheidsfunctionaris het recht op toegang tot Nederland kan worden ontzegd vanwege het uitoefenen van politieke activiteiten, maar dat "ook een buitenlandse overheidsfunctionaris het recht heeft op vrijheid van meningsuiting".

Het kabinet wijst echter op een artikel in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat daar beperkingen aan kunnen worden gesteld. Bijvoorbeeld als het gaat om politieke activiteiten. 

In de Nederlandse Grondwet is echter vastgelegd dat het verboden is om bijeenkomsten vanwege de inhoud te verbieden. Dat kan echter wel als de veiligheid of de openbare orde in het geding is.

Lees meer over:
Tip de redactie