Kosten van kostenreductie soms hoog

Bedrijven die geconfronteerd worden met een omzetdaling van veertig procent, ontkomen er niet aan om hun kostenstructuur aan te pakken. Dat vraagt om zorgvuldige afwegingen. De opbrengst van voor de hand liggende bezuinigingen kan soms behoorlijk tegenvallen.

Door Erik Berk | PricewaterhouseCoopers

Lukraak snijden in een organisatie is zelden een goed idee. Kostenreducties moeten niet de strategie van de onderneming doorkruisen. Bovendien levert snijden in het ene onderdeel soms juist veel hogere kosten op voor een ander deel van het bedrijf.

Een voorbeeld: een onderneming heeft tien fabrieken in tien landen. Dan zijn er allerlei varianten om in de kosten te snijden: de productie in elke fabriek een beetje terugdraaien, één of meer fabrieken helemaal sluiten en ga zo maar door. Maar voor je een keuze maakt, moet je heel goed bekijken of die keuze wel echt leidt tot de besparing die je denkt te bereiken.

Overuren
Bij sluiting van één of meerdere vestigingen, moet je bijvoorbeeld weten of de resterende capaciteit wel groot genoeg is. Sluiting van één fabriek betekent soms veel meer dure overuren voor de werknemers in de overgebleven fabrieken.

Hoe gek het ook klinkt: kostenreductie kan ook leiden tot een hogere belastingaanslag. Om bij het voorbeeld te blijven van die fabrieken: als je er een paar wilt sluiten, ben je natuurlijk geneigd om eerst te gaan kijken welke de meest onrendabele zijn en welke het meest winstgevend.

Het kan echter best zo zijn dat de tarieven van de vennootschapsbelasting in de verschillende landen zodanig zijn dat het uiteindelijk lucratiever is juist een winstgevende vestiging te sluiten. Wat ook kan gebeuren, is dat een onderneming van plan is een fabriek te sluiten in een land waar het nog een enorme verliescompensatie heeft staan. Met de sluiting gooi je de vordering op de fiscus dan ook weg.

Belasting
Tijdens bezuinigingsoperaties wordt vaak niet nagedacht over het aspect 'belasting'. Nog een voorbeeld: als een bedrijf een vestiging sluit in een ander land, kan de fiscus er van uitgaan dat die sluiting ertoe leidt dat de rest van het bedrijf relatief winstgevender wordt. Er kan dan in ogen van de Belastingdienst sprake zijn van een winstverschuiving die belast wordt met vennootschapsbelasting. Daar denkt bijna niemand over na. Pas achteraf blijkt dan dat wat operationeel wenselijk is, fiscaal helemaal niet goed uitpakt.

Erik Berk is fiscalist bij PricewaterhouseCoopers en gespecialiseerd op het gebied van kostenreductie.

Tip de redactie