Hoge Raad stelt grenzen aan politieonderzoek smartphone

De Hoge Raad heeft dinsdag grenzen gesteld aan het politieonderzoek naar smartphones van verdachten. De politie mag een smartphone doorzoeken als dit niet verder gaat dan een beperkte inbreuk op de privacy. 

Maar wanneer alle gegevens met behulp van opsporingssoftware worden uitgelezen en een compleet beeld ontstaat van de verdachte, dan is dat alleen mogelijk met toestemming van een officier van justitie of rechter-commissaris.

Een zaak van een in 2014 op Schiphol opgepakte drugssmokkelaar wordt daarom terugverwezen naar het gerechtshof in Amsterdam. Daar moet opnieuw naar de kwestie worden gekeken. Het hof moet beoordelen of met het achterhalen van alle contacten, de oproepgeschiedenis, berichten en privéfoto’s van de verdachte niet een te grote inbreuk is gemaakt op het privéleven van de verdachte.

De raadsman van de verdachte had de privacyschending bij de Hoge Raad aanhangig gemaakt. Hij stelt dat met het doorzoeken van diens smartphone zijn recht op privacy (artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) is geschonden. Om die reden zou op de telefoon gevonden informatie niet gebruikt mogen worden als bewijs.

Bewijs

Volgens de Hoge Raad hoeft een eventueel onrechtmatig onderzoek naar de smartphone niet te betekenen dat het bewijs moet worden uitgesloten. Het gerechtshof moet een oordeel vellen of een eventuele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer gevolgen moet hebben en zo ja, welke.

In het arrest wordt tevens gewezen op het ontbreken van een wettelijke regeling. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft de Tweede Kamer laten weten daar aan te werken.

Lees meer over:
Tip de redactie