Ruben de Jager wint Frans de Witprijs

Ruben de Jager met Immunomonolith is de winnaar van de jaarlijkse Frans de Witprijs.

Deze aanmoedigingsprijs voor jonge kunstenaars wordt beschikbaar gesteld door de stichting Beeldhouwer Frans de Wit en wordt uitgereikt tijdens de opening van de expositie Beelden in Leiden, waar de kandidaten exposeren. Dit jaar viert Beelden in Leiden zijn eerste lustrum.

De organisatie werd daarvoor van alle kanten bejubeld en gelauwerd voor het succesvol organiseren van vijf openlucht exposities op de Leidse Hooglandse Kerkgracht. Beelden in Leiden is ook te zien in het Leidse Bio Science Park – dit jaar voor het eerst – en het LUMC.

Ook dit jaar staat er een gevarieerd aanbod aan sculpturen. Eén daarvan is in de korte tijd dat ze er staan publiekslieveling geworden: Homunculus Loxodontus, van Margriet van Breevoort.

Het is een zeer toegankelijk werk. Een knuffelbare, wijze doch vreemde figuur op een wachtkamerstoel. Je kunt naast hem gaan zitten en dat doet dus ook íedereen. Het is fascinerend om te zien. Waarom ze daar gaan zitten en zich (laten) fotograferen? “Hij is aandoenlijk. Knuffelbaar. Uitnodigend”. Waaruit blijkt dat vakjury en publiekswaardering niet per definitie overeen komen.

De afgelopen vijf jaar is de expositie, en daarmee de eerste selectie voor de jury van de Frans de Witprijs, gebaseerd op voorstellen van curator Feico Hoekstra. Dat stopt nu. Hij wordt voltijds curator van de Fundatie in Zwolle. Niet een man die op de voorgrond wil treden – hij had ook geen behoefte aan een afscheidsspeech – maar wel een spelbepaler.

Wethouder Strijk – ook vol lof – sprak “kunstenaars zoeken en ze weten wat ze zoeken als ze het gevonden hebben”. Het zoeken naar de verbeelding van een emotie, een vaag beeld, is niet een kwestie van een methodisch stappenplan aflopen. Hoekstra begeleidt, in het geval van Beelden in Leiden, dat proces.

Een aimabel man die, eenmaal beginnend over kunst, overduidelijk op z’n gemak is en er ook heel veel over heeft te melden. Dat het selecteren geen sinecure is die ‘je er even bij doet’, blijkt als hij vertelt alle afstudeerbijeenkomsten van kunstopleidingen af te gaan, een spreadsheet met namen (en zijn oordeel) bij te houden, en zijn aanpak bij de selectie.

“Ik stap niet op een beginnend kunstenaar af met de mededeling dat ze mogelijk kunnen meedoen aan Beelden in Leiden. Eerder ga ik langs omdat ik in hun werk ben geïnteresseerd en meer over de kunstenaar wil weten.” Hij selecteert dus eigenlijk de kunstenaar, op kwaliteit. Een lastige, want wat ís dat en hoe dóe je dat?

Opeenstapeling

“Het is een opeenstapeling van opgedane ervaring en kennis. Dat zegt me welke kunstenaar goed is. Maar als je me vraagt welke ervaring precies doorslaggevend was, kan ik je dat niet zeggen. Dan lijkt het wel wat op intuïtie, maar gebaseerd op ervaring”.

Hoekstra benadrukt dat de kunstenaar er ook aan toe moet zijn. “Sommigen zijn goed, maar nog niet klaar voor een expositie-opdracht in de openbare ruimte. Je hoorde het bij Ruben: ‘Het is de eerste keer dat ik iets voor buiten maak! Ik dacht: ben ik er wel klaar voor? Ik ben net afgestudeerd’. ” In opdracht werken eist nogal wat. Hoekstra benoemt “talent én persoonlijkheid”. En “kan de kunstenaar maken wat-i voor ogen had, wat hij mij vertelde te gáán doen?”.

Waar Hoekstra woorden gebruikt als  “lef, experiment, kans geven, uit de comfort zone komen, mislukken mag” om ‘zijn’ kunstenaars te karakteriseren, is hij ook duidelijk over de toeschouwer “vooral goed kijken. En niets vínden. En dan nog eens terugkomen om nóg eens te kijken. Goed te kijken”. Hij schrijft dan wel veel over kunst, maar kijken en ervaren zijn toch echt sleutelwoorden. Beelden in Leiden biedt daar weer puike staaltjes van.

Kunstenaarscollege

Dat Beelden in Leiden tot de belangrijke exportproducten van Leiden behoort, is wel duidelijk. NRC wijdt er een bijlage aan. Herman Scholten, bestuurslid, wijst op een andere afgeleide: het Kunstenaarscollege. Daarin krijgen jonge kunstenaars de kans zich te verdiepen in die andere kant van hun bestaan, de zakelijke. In de opleiding wordt daaraan weinig aandacht geschonken.

Leiden, Beelden in Leiden, biedt het wél. “Ze krijgen lezingen van verzamelaars, van galerie-eigenaren, van ondernemers, over hoe die werelden in elkaar zitten, denken en werken. Want uiteindelijk zijn ze ook cultureel ondernemer. Ze gaan bijvoorbeeld leren een bedrijfsplan te maken. En de prijs voor hun werk te bepalen. Dat wordt nog steeds ook aan óns gevraagd: wat kan ik ervoor vragen, denk je?”.


In 2018 zal een nieuwe curator Beelden in Leiden voorbereiden (in 2017 sluit Beelden in Leiden aan bij 100 jaar De Stijl – “een veel beter icoon voor Leiden dan Rembrandt” NN). Of die Hoekstra kan doen vergeten, moet vanaf dan blijken. Een makkelijke opgaaf zal het niet worden.

Tip de redactie