Achtergrond: Wanneer wordt belasting op spaargeld eerlijker?

Het belasten van spaargeld wordt misschien wel als één van de minst rechtvaardige taken van de fiscus gezien. Daar is ook iedereen het wel over eens, maar het is nog wachten op de oplossing.

"Dit systeem heeft zijn langste tijd gehad", zei staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes deze week in een debat over de wijze waarop de Belastingdienst vermogen belast.

Wiebes is niet de enige. Kamerbreed wordt spaartaks als onrechtvaardig gezien. De belasting die wordt geheven over vermogen is zelfs in strijd met het recht van eigendom, schreef de Hoge Raad in een advies begin dit jaar. Daarmee wankelt ook de juridische basis.

Dat komt omdat er belasting wordt geheven over winst die nooit is behaald. De fiscus gaat er namelijk sinds 2001 van uit dat vermogen met 4 procent groeit. Over die winst moet je 30 procent afdragen. Dat komt er in feite op neer dat vermogen met 1,2 procent wordt belast. Dat geldt niet voor de eerste 24.437 euro, dat bedrag is vrijgesteld. Bij fiscale partners is dat het dubbele.

Maar wie haalt er tegenwoordig nog een rendement van 4 procent? Spaarrentes zijn inmiddels gedaald tot ruim onder de 1 procent. Dat betekent dus dat je inteert op je spaargeld. En Nederlandse huishoudens sparen er lustig op los; eind 2015 stond er ongeveer 336 miljard euro op hun spaarrekeningen bij banken, meldde De Nederlandsche Bank.

Dat is niet uit te leggen, vindt ook Wiebes. Hij noemt de situatie tijdens Prinsjesdag 2016 een "aantasting van het draagvlak van deze belasting".

Tussenstap in 2017

Vermogen moet belast worden op het werkelijk behaald rendement, maar daar zijn de systemen van de Belastingdienst nog niet op ingericht. Die van de banken en andere vermogensbeheerders overigens ook niet. Maar die zogenoemde 'ketenpartners' wachten eerst totdat de politiek met een panklare wet komt voordat zij daarin gaan investeren.

Daarom komt er voor 2017 eerst een tussenstap. Er wordt wel rekening gehouden met de werkelijke spaarrentes en rendementen op beleggingen uit het verleden. Die percentages heeft de Belastingdienst in een vermogensmix gegoten.

Deze fictieve mix bestaat uit een deel spaargeld en een deel vermogen dat wordt belegd in bijvoorbeeld aandelen. Afhankelijk van hoe groot het vermogen is, gaat de Belastingdienst uit van een bepaalde mix. 

De achterliggende gedachte is dat grotere vermogens relatief meer investeren in bijvoorbeeld aandelen en zo ook een hoger rendement behalen.

Het plaatje voor volgend jaar ziet er dan als volgt uit:

De belasting over de fictieve winst blijft staan op 30 procent. De vrijstelling wordt iets verhoogd naar 25.000 euro. Ook hier geldt voor fiscale partners weer het dubbele bedrag.

Van 25.000 tot 100.000 euro wordt het fictieve rendement verlaagd van 4 naar 2,87 procent. Daardoor betaal je 0,86 procent belasting over dat vermogen. 

Op het bedrag tussen de 100.000 en 1.000.000 euro gaat de fiscus uit van een winst van 4,6 procent. Effectief komt dat neer op een belasting van 1,38 procent. Boven de 1 miljoen euro geldt een fictieve winst van 5,39 procent waarmee het vermogen met ruim 1,62 procent wordt belast.

Werkelijk behaald rendement

Wiebes is zoals hij het zelf zegt op zoek naar de heilige graal. De perfecte balans tussen het werkelijk behaald rendement en uitvoerbaarheid.

Dat er geen misbruik mag worden gemaakt van nieuwe regels om belasting te ontduiken, lijkt evident. Maar Wiebes hecht minstens net zoveel waarde aan de eenvoud. "Het nieuwe systeem mag er niet voor zorgen dat we met een schoenendoos vol bonnetjes op zondagmiddag aan het werk zijn voor de belastingaangifte", aldus de bewindsman.

Gegevens over spaartegoeden en aandelen zijn bij banken aanwezig, de werkelijk behaalde winsten zijn in dit geval op te vragen.

Maar dat geldt bijvoorbeeld niet voor huuropbrengsten of onderhoudskosten van onroerend goed. Die kunnen enkel door de belastingplichtige worden geleverd en dat werkt weer extra administratie in de hand. Zo komt de schoenendoos op zondag weer in beeld.

Daarbij is niet altijd duidelijk in welke categorie vermogen valt. Want valt de aanleg van een dakgoot onder onderhoudskosten of is het waardevermeerdering van je huis? "Het is een recept om iedereen in het land dol van razernij te maken. Daar voel ik heel weinig voor", zegt Wiebes.

Drie wegen

Er zijn drie wegen uitgestippeld door Wiebes. In maart 2017 moet er één verder worden bewandeld op weg naar wetgeving.

Bij de eerste twee wordt sparen op werkelijk rendement belast en voor onroerende zaken en overig vermogen geldt een vooraf gesteld tarief.

Het verschil zit hem in de belasting op aandelen en obligaties. In de eerste variant wordt er gekeken naar de koerswinst, rente en dividend. Koerswinsten worden belast, ook al worden de aandelen niet verkocht.

Het nadeel is volgens Wiebes dat er mogelijk belasting wordt betaald terwijl er geen winst is gemaakt. Als de beurs het ene jaar namelijk stijgt, krijg je daarvoor een jaar later de rekening terwijl de koersen dan misschien weer dalen. Wiebes: "Op macroniveau lijkt het mooi, maar op microniveau is het lastig."

In de tweede variant komt de fiscus alleen in actie als vermogen daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Dat kan in de praktijk worden uitgesteld "tot Sint-Juttemis".

Voor deze twee varianten geldt volgens Wiebes ook dat je niet meer terug kunt. "Het is eenrichtingsverkeer."

Dan is er nog de derde variant. Daarbij wordt er niet gekeken naar het werkelijk behaalde rendement, maar wel naar een fictieve winst die ieder jaar wordt aangepast. Een systeem zoals we dat nu kennen, maar dan wat verfijnder.

In de Tweede Kamer zijn de meeste partijen hier het meest enthousiast over aangezien deze variant het snelst uitgevoerd kan worden.

Maar Wiebes vreest voor de ontwijkingsmogelijkheden. Er kan namelijk zo met vermogen worden geschoven in aanloop naar de fiscale peildatum in zicht, dat je minder belasting betaalt.

Najaar 2020

Het is nu aan de Tweede Kamer om te bepalen welke richting wordt gekozen. Want voor een goed systeem zijn brede politieke schouders nodig. Aangezien er verkiezingen zijn in maart 2017 moeten oppositiepartijen die mogelijk volgend jaar aan het roer staan ook instemmen.

Wiebes schat dat het wetstraject, dat op zijn vroegst start in maart 2017, met de "turbomotor" aan anderhalf jaar duurt. Pas dan gaan de ruim driehonderd ketenpartners, waaronder 75 banken, aan de slag om hun systemen op elkaar af te stemmen zodat de informatie onderling en aan de Belasting kan worden uitgewisseld.

Dat is volgens Wiebes één van grootste ICT-projecten voor zowel de Belastingdienst als de banken. Het duurt daarom volgens de bewindsman nog minimaal 24 maanden voordat dit proces klaar is. Dat betekent dat we in het najaar van 2020 zitten als alle seinen op groen staan.

Gratis is het evenmin. De kosten voor de Belastingdienst worden geschat op 20 tot 30 miljoen euro. De ketenpartners zijn tussen de 75 en 100 miljoen euro kwijt.

"Kortom: Een heffing die beter aansluit bij het werkelijke rendement is zeer wenselijk, maar, zoals gezegd, zeker niet 'gratis'", aldus Wiebes.

Lees meer achtergrondverhalen in NUweekend

Tip de redactie