Van geldverstrekker naar toezichthouder
Afgelopen maandag stelde De Nederlandsche Bank (DNB) de DSB Bank onder curatele. DNB voert nu het bewind over de bank. Sinds wanneer beslist die ene financiële instelling eigenlijk over het lot van de anderen? Door Anno.
Foto: ANP
Toen de Franse overheersers in 1813 Nederland verlieten, stond de economie er slecht voor.
Zo was de belangrijkste Nederlandse bank, de Amsterdamse Wisselbank, op sterven na dood. Daarom richtte koning Willem I meteen in 1814 De Nederlandsche Bank (DNB) op.
Door de bank kredieten te laten verstrekken, hoopte hij de economie uit het slop te trekken. Ook moest DNB de geldcirculatie bevorderen door bankbiljetten uit te geven.
Willem I hoopte hiermee een nationaal ruilmiddel te creëren, maar de Nederlanders gebruikten liever hun vertrouwde munten dan dat rare papiergeld.
Borski
De meeste Nederlanders moesten voorlopig niets van DNB hebben. In 1816 waren pas 3000 van de 5000 uitgegeven bankaandelen verkocht. Maar toen kocht de rijke weduwe Borski de rest, op voorwaarde dat de bank drie jaar lang geen nieuwe aandelen zou uitgeven.
Vervolgens gebeurde waar zij op hoopte: door haar aankoop steeg het vertrouwen in de bank en kon zij de aandelen met grote winst verkopen. Toch werd DNB pas na 1850 echt belangrijk. De economie bloeide op, waardoor de vraag naar kredieten steeg. De Nederlandsche Bank kon die goed verstrekken.
Banken
Rond 1880 veranderde de rol van DNB. Bedrijven leenden voortaan vaak bij particuliere banken en die banken klopten op hun beurt bij DNB aan. Maar DNB wilde wel graag weten of die banken betrouwbaar waren.
Daarom legde zij regels op over de verhouding tussen de uitgezette kredieten en wat er werkelijk in kas was en eiste zij maandelijkse inzage in de boekhouding van de banken. Zo werd DNB vanzelf toezichthouder.
De column Anno NU geeft wekelijks een stukje geschiedenis bij het nieuws. Reageren? Ga naar www.anno.nl.
Startpagina