Pootje-over op grondijs

Nu het eindelijk weer eens serieus gevroren heeft, de ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken een middag 'ijsvrij' hebben gekregen, en links en rechts te horen was dat het schaatsen ons Nederlanders 'in de genen zit', werd ook weer allerlei natuurijstaal uit het vet gehaald. Wat betekenen die schaatswoorden precies? Door Onze Taal.

Doorlopers Ouderwetse schaatsen waar geen schoen aan vast zit (zoals wél bij noren, zie daar), met glij-ijzers die in hout zijn gevat en achter dat hout uitsteken - oftewel 'doorlopen'. Ook wel 'Friese doorlopers' genoemd. Tegenwoordig vooral nog gebruikt door ouderen.

Grondijs Een van de drie hoofdsoorten zoetwaterijs, naast kwalsterijs en zwart ijs (zie daar). Ontstaat op de bodem van stromend water en komt bovendrijven in de vorm van bellen onderkoelde watermassa, die als pannenkoekjes aan elkaar vriezen. Omdat dat nogal slordig gebeurt, is het niet ideaal voor schaatsers. Wel het sterkste ijs dat er is.

Hockeyschaatsen Schaatsen met een schoen eraan vast, bedoeld voor ijshockey, maar ook veel ondergebonden op sloten en plassen, voornamelijk door mannen (vrouwen kiezen meestal voor kunstschaatsen - zie daar). Grootste verschil met doorlopers en noren (zie daar): de glij-ijzers zijn nauwelijks langer dan de voet. Heel geschikt voor bochtenwerk op de vierkante meter.

Klunen Het ijs verlaten om, met de schaatsen ondergebonden, plekken te omzeilen waar het ijs slecht of afwezig is. Komt uit het Fries. Hét Elfstedenwoord.

Krabbelen 1. Bewegen zoals een beginnende schaatser doet, gekenmerkt door de afwezigheid van zogenoemde 'slagen', en er vooral op gericht op de been te blijven.
2. Op zodanig slecht ijs schaatsen dat het maken van echte slagen onmogelijk is.

Kunstschaatsen Schaatsen met een schoen eraan vast, bedoeld voor kunstrijden op de schaats, maar ook veel te zien op sloten en plassen, voornamelijk bij vrouwen (mannen kiezen meestal voor hockeyschaatsen - zie daar). Anders dan bij doorlopers en noren (zie daar) zijn de glij-ijzers nauwelijks langer dan de voet. Heel geschikt voor bochten op de vierkante meter. Én natuurlijk voor sprongen, pirouetten en rotaties.

Kwalsterijs Sneeuwijs. Zit vol lucht. Die lucht isoleert, en bemoeilijkt dus de ijsaanwas van onderop. Gevolg: bros, bobbelig ijs dat niet echt een goede draagvloer is. Kwalster betekent 'fluim', 'rochel', en dat zegt eigenlijk alles al. Zie ook grondijs en zwart ijs.

Noren Modernere schaatsen dan doorlopers (zie daar). Er zit een schoen aan vast, en de glij-ijzers - die voor en achter uitsteken - zijn vastgeklonken aan een metalen buis. Eind negentiende eeuw ontwikkeld door Noorse schaatsers. Een eeuw later werd in Nederland de klapschaats-variant geïntroduceerd: het ijzer zit alleen bij de punt vast.

Pootje-over Beproefde techniek om bochten te maken. De ene voet links (of rechts - dat hangt af van de kant die je op wilt) 'over' de andere plaatsen en dan afzetten. Levert veel valpartijen op.

Werkijs IJs dat niet goed glijdt, en waarop dus meer kracht en arbeid nodig is om vooruit te komen. Zie ook: grondijs en kwalsterijs.

Windwak Wakken - grote gaten in het ijs - zijn de nachtmerrie van elke schaatser, en van elke schaatswedstrijdorganisator. Oorzaken: door het ijs zakken, maar ook de wind, die het water open houdt. In het laatste geval spreekt men van een 'windwak'. Zie ook: ijstransplantatie.

IJstransplantatie Wakken (zie ook: windwak) worden door schaatswedstrijdorganisatoren soms gedicht door ijs van elders te transplanteren.

Zwart ijs Beter ijs kun je niet hebben: hard, egaal en spiegelglad. De droom van elke schaatser. Ook de titel van een inmiddels niet meer bestaand literair schaatstijdschrift. En van de anderhalf jaar geleden verschenen debuut-cd van schaatser en So You Wannabe A Popstar-winnaar Erik Hulzebosch. Zie ook: grondijs en kwalsterijs.

Reageren? Ga naar www.onzetaal.nl.

Tip de redactie