Bengt Ohlsson – Gregorius
Nuancerende roman waarin een bijpersonage uit een Zweedse klassieker uit 1905, Gregorius, zijn eigen verhaal krijgt toebedeeld.
Foto: NU.nl
In 1905 verscheen Dokter Glas, van de Zweedse schrijver Hjalmar Söderberg. De roman had de structuur van een dagboek waarin een huisarts bijzondere aandacht schonk aan een van zijn patiënten, een jonge vrouw die gehuwd was met de geestelijke Gregorius.
Söderberg liet indertijd geen spaan heel van deze Gregorius. Hij vond hem afzichtelijk, bruut, op seks belust en maakte het leven van zijn jonge eega tot een hel.
De arts trachtte haar lijden zoveel mogelijk te verzachten, zelfs door middel van een medisch complotje dat de vrouw om gezondheidsredenen geen seks met hem mocht hebben. Wel met haar minnaar, die ze in het geheim ontmoette.
Voorwoord
Een eeuw later wordt Glas’ verhaal opnieuw verteld, maar dan vanuit het perspectief van Gregorius zelf. Met een uitgebreid en zeer verhelderend voorwoord van de Canadese schrijfster Margaret Atwood, die de pointe van Dokter Glas uit 1905 samenvat en de lezer kundig voorbereidt op wat komen gaat. Wat Atwood met dit voorwoord al aangeeft is hoe sterk mensen zich kunnen vergissen.
Söderbergs Gregorius was dermate afschrikwekkend neergezet, dat hij in de Zweedse literatuur een ‘boogeyman’-status heeft verworven. Een die in Ohlssons boek 180 graden wordt gekeerd, en de sleutel daarvan ligt bij die echtgenote, die de belangrijkste informatiebron was voor Dokter Glas.
De Gregorius van Ohlsson is een heel andere man. Een ontroerende, schuchtere man met weinig sociale vaardigheden die de buitenwereld als onbehouwen kan ervaren. Maar het is onmogelijk om hem als boogeyman te zien, met zijn eeuwigdurende psychologische worstelingen om het goed te willen doen.
Verscheurd
Gregorius weet van de ontrouw van zijn echtgenote en het verscheurt hem. Hij heeft een hoge status als geestelijke en wordt eveneens verscheurd door twijfel of hij zijn parochianen wel adequaat weet bij te staan. Is hij een goede echtgenoot, zoon, en burger Gods in het algemeen? Het zijn alle existentiële vragen die Gregorius zich stelt, in dat hoofd dat nimmer ophoudt met malen.
Wat Ohlsson hier heeft gepresteerd, verdient lof. Niet alleen schrijft hij in een stijl die naadloos in die periode past, ook inhoudelijk geeft het goed het tijdsbeeld weer. ‘Gregorius’ is het soort boek dat mensen konden lezen in een tijd dat er geen tv en massavermaak was en boeken een sterk pedagogische waarde hadden. Men stelde zichzelf vragen over ethiek, het huwelijk, de maatschappij, de zin van alles, en het godsbesef was nog sterk aanwezig als moreel kompas – een die mensen als Gregorius konden toelichten.
Mystiek godsbesef
De mooiste passages van de (voortreffelijk vertaalde) roman zitten in Gregorius’ gedachtestromen over de mystieke spiritualiteit van het godsbesef. Hij is, heel anders dan Dokter Glas deed geloven, bepaald geen dogmaticus – maar Ohlsson was met een dogmaticus dan ook snel uitgeschreven.
Gregorius kent twijfel en durft zich aan twijfel over te geven. Zijn godsbesef reikt terug tot de grotere geesten van onze geschiedenis, tot aan de klassieke oudheid waarin de wijze Grieken het goddelijke herkenden in de dagelijksheid van hun waarneming. Ach, had de arme man daar maar meer over kunnen vertellen in 1905, maar dat was geen tijd van ‘praten’. Gregorius mag dan slechts een boekpersonage zijn, deze rehabilitatieroman voelt toch als een zeer bevredigende rectificatie van een honderdjarige karaktermoord.

Startpagina