Verdachte prostitutiemoorden naar observatie

De 58-jarige Albert B., die wordt verdacht van twee moorden op vrouwen in Rotterdam in de jaren negentig, gaat voor observatie naar het Pieter Baan Centrum (PBC). De opname moet duidelijk maken of de Schiedammer toerekeningsvatbaar was toen de moorden werden gepleegd. 

De rechtbank in Rotterdam heeft dat donderdag bepaald tijdens de eerste openbare zitting over de zaak.

Albert B. werd in april opgepakt voor de moord op de dakloze Berendina Stijger (45) in 1990 en de prostituee Francis Garcia-Hofland (22) in 1991. Uit een eerste onderzoek blijkt dat de verdachte kampt met schizofrenie.

Een DNA-verwantschapsonderzoek zette de politie op het spoor naar de man. De officier van justitie vertelde donderdag dat een zoekactie in de DNA-databank voor veroordeelden leidde naar de broer van de verdachte.

Beide slachtoffers werden half ontkleed en doodgestoken aangetroffen. Spermasporen wijzen in de richting van de verdachte en er zijn geen sporen van mogelijke andere daders gevonden, aldus de aanklager.

Complot

Albert B. ontkent dat hij de vrouwen heeft gedood maar hij heeft bij de politie wel toegegeven dat hij destijds prostituees bezocht. Hij denkt dat de moorden door anderen zijn gepleegd en dat hij er is ingeluisd. De officier van justitie gelooft die verklaring niet.

Donderdag kwam er een nieuwe, warrige verklaring van de verdachte bij. "Misschien was mijn lichaam er wel, maar ik niet", antwoordde hij op vragen van de rechtbank over zijn verklaring voor de aangetroffen DNA-sporen.

De rechter bepaalde dat er een grote verdenking tegen hem bestaat en wees zijn verzoek om vrijlating af. De verdachte is overigens nog onderwerp van onderzoek van het coldcaseteam in verband met andere onopgeloste prostitutiemoorden in Rotterdam.

Wanneer de zaak verdergaat is nog onduidelijk. De resultaten van de observatie in het PBC worden pas over een half jaar verwacht.

Lees meer over:
Tip de redactie